Eiland in het zand

Driftig stapt Lara door het bos. Ze heeft haar gele regenjas en de rode laarzen aan. De fijne motregen maakt haar wangen nat. Een paar blonde pieken zitten aan haar gezicht geplakt. Op deze vroege herfstdag is het te vochtig om in de mijmerboom te zitten. Ze loopt door het zwarte laantje, maar heeft geen oog voor de paddestoelen die langs de kant staan. Ze ruikt ook de mottige lucht niet en hoort niet het lichte knarsen van de oude bomen. Lara denkt alleen maar aan opa, ze wil zo graag dat hij weer verhalen vertelt. De allerliefste opa die de allermooiste verhalen vertelde. En ze weet dat hij dat nooit meer kan doen. Ze schopt hard tegen een dennenappel die voor haar voet ligt. Bobby dribbelt achter haar aan, hij is een beetje nerveus omdat zijn baasje niet tegen hem praat. Lara loopt de laatste bocht van het zwarte laantje door en ineens staat ze oog in oog met een raar gebouw van glas. Wat is dit? Ze blijft maar staren naar dat gekke ding dat zomaar haar weg verspert. Staat het hier allang? De laatste weken heeft ze toch nog wel door het laantje gelopen? Of is het al langer geleden? Maar nog steeds weet ze niet wat het kan zijn. Een huis van een andere planeet? Een UFO die is neergestort? Ze schrikt van het idee, misschien kan dit glazen reuzenoog haar wel zien. Snel duikt ze achter een dikke boom. ‘Bobby kom,’ sist ze. Maar Bobby luistert niet, hij snuffelt rond het vreemde gebouw, tilt zijn pootje op en een klein straaltje loopt langs het glas naar beneden. Lara’s longen doen pijn van het snelle ademen. Het liefst zou ze zichzelf onzichtbaar maken, toch moet ze blijven kijken. Als haar adem een beetje tot rust gekomen is, gluurt ze langs de glibberige stam. Het ding doet haar aan een iglo denken. Een grote iglo, haar opa zou er met gemak in kunnen staan. Door het glas heen ontdekt ze nog zo’n zelfde ronde vorm, maar dan van grove houten planken, die bij elkaar gehouden worden door stevige klemmen. Zou daar binnen nog een kleinere iglo zijn, en misschien nog een? En een deur, is er een deur?

Het duurt een paar dagen voordat ze ontdekt dat er iemand in de iglo woont. Gisteren heeft ze de man voor het eerst gezien. Hij zat op een omgevallen boomstam en rookte een pijp, net als opa. De man leek in gedachten verzonken, misschien bedacht hij wel een mooi verhaal.
Vandaag wil ze met hem praten. Lara haalt een steentje uit haar broekzak en gooit het naar de iglo. Het ketst af op het dikke glas. Ze wacht een ogenblik, er gebeurt niets. Bobby wil achter het steentje aanrennen, maar Lara houdt hem stevig vast en gooit er nog een.
En daar is hij dan. Hij kijkt naar de lucht, alsof daar iets uit kwam vallen. Weer gooit Lara een steentje. Nu kijkt hij in haar richting. Zij komt uit haar schuilplaats vandaan, klaar om hard weg te rennen als de man een griezel blijkt te zijn. Haar voordeel is dat zij precies de weg weet in dit grote bos. Zijn zwarte haren hangen tot bijna op zijn schouders. Hij wrijft langs zijn voorhoofd alsof hij een lok uit zijn ogen veegt. Lara vindt dat een overdreven gebaar, want op zijn voorhoofd is hij al een beetje kaal. Hij draagt hetzelfde donkerblauwe trainingspak als gisteren. Ook loopt hij nog steeds op touwschoentjes. Zou hij hier op vakantie zijn? Hij heeft zich niet geschoren. Slordig vindt ze hem wel, maar niet eng.
De man kijkt alsof zij een wezen van een andere planeet is. Hij zegt niets.
Ik moet iets zeggen, denkt Lara, wat moet ik zeggen. ‘Meneer, bent u een woestijn-Eskimo?’ vraagt ze.
‘Wat doe je hier? Weet je niet dat dit verboden terrein is?’ bromt hij.
Lara geeft geen antwoord, zij kijkt naar zijn gezicht om te zien of het een boosaardige man is. Misschien is hij alleen maar geschrokken.
‘Nou?..’ Hij zet een paar stappen in haar richting en als een speer is Lara tussen de bomen verdwenen, kwispelend rent Bobby achter haar aan.
Hij is niet eng, dat ziet ze aan zijn ogen, en hij rookt pijp. Deze gedachten drijven met Lara en Bobby mee op weg naar huis. Morgen gaat ze terug.

Al vroeg zit Lara op de boomstam, in de stilte van het bos hoort ze kwetterende vogels en haar eigen ademhaling. De zon heeft allang de dauwdruppels op de iglo gedroogd als de man eindelijk verschijnt. Hij heeft de pijp bij zich.
‘Verdorie,’ zegt hij als hij haar ziet. ‘Wat wil je?’
Wat wil je, hij vraagt wat wil je, hij stuurt me niet weg, denkt Lara. Ze struikelt over haar woorden als ze vertelt dat het grote bos met de zandduinen en de hoge bomen haar vriendin is, dat ze verder geen vriendinnetjes heeft, behalve Bobby natuurlijk, geen broertjes en zusjes, geen papa, alleen maar mama, die altijd weg is, dat haar opa van de pijp dood is. Is de meneer ook alleen? En kan hij ook mooie verhalen vertellen?
De man knippert met zijn ogen na deze woordenstroom.
‘Maar wat wil je nou eigenlijk?’
‘In uw huis kijken.’ Zegt Lara voorzichtig.
‘Onmogelijk’, zegt hij, ‘ik kan niet gestoord worden.’
Lara zegt niets, ze kijkt hoe de man zorgvuldig zijn pijp stopt en schuift uitnodigend opzij. Als hij beseft dat ze niet van plan is op te stappen, gaat hij naast haar zitten. Hij stuurt witte kringetjes rook de blauwe lucht in. De kringetjes die opa maakte waren mooier, maar de zachte geur van tabak ruikt precies hetzelfde als die van opa. Lieve Lara, wat ik nu toch meemaakte… in gedachte nestelt Lara zich tegen opa aan op de bank. Met haar tenen kroelt ze door de vacht van Bobby. Ze schrikt op omdat de man zijn pijp leeg klopt tegen de stam.
‘Dag meneer,’ roept ze terwijl ze wegrent.
De man staart haar vragend na.

Twee en een half uur heeft Otto de bewegingen van het zand geobserveerd en de bevindingen genoteerd op zijn laptop. Hij wrijft door zijn vermoeide ogen en veegt een onzichtbare lok haar naar achteren. Hij is stijf van het zitten en zijn linker schouderblad doet pijn. Dat komt waarschijnlijk omdat het aquarium met het zandplateau, net iets te laag is voor zijn grote lijf. Lang zal hij hier niet meer kunnen blijven, de nachten laten al flarden vocht en kou voelen. Hij zal deze eenzame plek gaan missen. Het kluizenaarsbestaan, diep weggedoken in een natuurgebied, bevalt hem. De stilte die hem hier omringt voelt veel prettiger dan de chaos van de stad. Het was een goed idee om zijn onderzoek in een rustige omgeving te doen. Hij zou immers niet alleen onderzoek doen naar de bewegingen van zand, hij wilde ook een tijd weg uit de drukke wereld van de stad en de universiteit. Weg ook van al die mensen die voortdurend aan hem trekken waardoor hij het gevoel krijgt dat hij in alles tekort schiet. Dat hij niet genoeg aandacht heeft voor zijn studenten. En dat hij altijd de verjaardagen van zijn familie vergeet. Zou het niet tijd worden voor een huisje op het platteland? Dit gebied met de zandverstuiving is een perfecte plek om te werken. Als hij door de duinen loopt voelt hij weer de sensatie die hij had als kind, toen hij met zijn ouders in Niger woonde, een land met meer zandkorrels dan waterdruppels. Het mooiste moment van de dag was het begin van de avond, als de oranje gloed van de zon werd vertroebeld door stofwolken in de verte. Dan keerde de dorpskudde terug uit de brousse en zat hij op het muurtje voor hun huis te luisteren naar het stille geschuifel van de dieren die op weg waren naar de beschutting van het erf. De herdersjongen begroette hem met een brede grijnslach. Wellicht heeft zand zich toen voorgoed in zijn hart genesteld.
Maar nu wordt hij al een paar dagen lastig gevallen door een meisje. Dit gebied was toch verboden voor mensen? Toen hij toestemming kreeg om hier zijn onderzoek uit te voeren, werd hem een zeer grote gunst bewezen. En dan loopt er zomaar elke dag een kind rond, met een hondje nog wel! Ze wil in zijn huis kijken, maar wat moet hij met meisjes, hij weet niets van hen. Hoe praat je met hen? Wat zijn hun onderwerpen? Hij zou het niet weten. Van vrouwen begrijpt hij niets, laat staan van meisjes.
Hij schenkt een kop koffie in, zet de elektromotor van het aquarium uit en loopt de herfstzon in. Nog voordat hij buiten is, heeft hij al gezien dat ze weer op zijn boomstam zit. Zijn eerste reactie is haar wegsturen, maar hij aarzelt, een klein vezeltje in hem verzet zich. Hij gaat naast haar zitten en zwijgend staren ze een poosje voor zich uit. Bobby snuffelt aan de paddestoelen.
‘Wat doet u daarbinnen?’ Lara kan haar nieuwsgierigheid niet bedwingen.
‘Wat doe jij als je thuis bent?’ vraagt de man.
‘Ikke?’ Lara krabt aan het korstje op haar knie. ‘Ik bouw luchtkastelen, maar daarvoor hoef ik niet thuis te zijn. Waarom woont u in zo’n raar huis?’ voegt ze er meteen aan toe, Lara is degene die vragen stelt.
‘Ik doe onderzoek, naar zand.’
‘Bouwt u zandkastelen?’ vraagt Lara, nu een en al oor.
‘Zandkastelen?’ de man lacht wrevelig. ‘Alsof ik tijd heb om te spelen. Ik bestudeer ribbelpatronen. Als je zand laat trillen ontstaan er patronen die steeds veranderen en die veranderingen bestudeer ik.’
‘O’, jubelt Lara, ’dan kan ik u helpen, in de zandverstuiving druk ik mijn voetzolen in het zand en de volgende dag ga ik kijken of de wind mijn afdruk heeft veranderd.’ Triomfantelijk kijkt ze de man aan.
‘Ik ben professor,’ zegt hij.
‘Joeps, dan ben ik ook een professor’, roept Lara terwijl ze opspringt en er vandoor gaat. ‘Kom Bobby, de professor gaat naar huis.’
Typisch kind. Otto veegt een lok, die nu werkelijk voor zijn ogen hangt, naar achteren.

‘Meneer, meneer,’ ongeduldig klopt Lara op de iglo. ‘Meneer, kom gauw kijken naar mijn voetafdruk.’
Lara is verrukt over wat ze net ontdekt heeft. Het zal de man vast interesseren. De vorige dag heeft ze haar blote voet in het vochtige zand gedrukt. De afdruk is nog zichtbaar, maar de wind heeft er een fijn stuiflaagje overheen gelegd. ‘Maak dat je weg komt,’ Otto is ook ongeduldig. Door dat irritante kind, dat hem al dagen uit zijn concentratie houdt, schiet zijn werk niet op.
Maar Lara laat zich niet wegsturen. Ze denkt na, hoe kan ze hem meelokken? Ze heeft een soort deur in de iglo ontdekt en schuift die voorzichtig een klein stukje open. Op een oud-mevrouwtjes toon zegt ze: ‘de buitenlucht zal u goed doen.’ Ze gaat op de boomstam zitten omdat ze heeft gemerkt dat ze met deze man veel geduld moet hebben. Het is geen man die zomaar verhalen gaat vertellen, en luisteren kan hij ook niet zo goed. Zou hij nooit in zichzelf praten?
Ineens staat hij voor haar. Hij wil iets zeggen, maar Lara is hem voor: ‘ik heb iets lekkers meegebracht.’ Ze opent een ronde koektrommel en trots laat ze hem haar zelfgebakken zandkoekjes zien. Meteen vergeet Otto dat hij van plan was haar weg te sturen. ‘Mag ik er al eentje proeven?’ Met gestrekte armen houdt Lara de trommel onder zijn neus. Hij kiest een koekje in de vorm van een schelp. Lara kijkt gespannen toe terwijl hij een hap neemt.
‘Heerlijk, hoe heet je eigenlijk?’
‘Lara, en u meneer?’
‘Otto,’ hij maalt het koekje fijn.
‘Gaat u nu mee naar mijn voetafdruk kijken?’ Ineens wordt ze weer ongeduldig. ‘U mag de koekjes houden.’ Ze pakt een koekje, gooit dat naar Bobby en zet de trommel op de boomstam. Zonder af te wachten of Otto meegaat, loopt ze in de richting van de zandverstuiving. Als een gedwee lammetje volgt hij haar.
‘Mmm, interessant’, zegt Otto als hij de afdruk ziet, ‘weet je hoe dit komt?’ Hij begint een verhandeling over de samenstelling en structuur van zand. Hij vergeet dat hij geen collegezaal met studenten voor zich heeft, maar een kind. Met verbazing staart Lara hem aan, aan opa’s stem kon je horen wanneer een verhaal spannend werd, maar de monotone stem van Otto klinkt als geroezemoes in een drukke winkel. Verveeld pakt ze een handvol zand en laat het tussen haar vingers doorglijden totdat er een kleine piramide is ontstaan. ‘U hoeft me dat niet te vertellen, meneer Otto, ik kijk altijd naar zand en dan weet ik precies wat er gebeurt.’
Enigszins van zijn stuk gebracht, houdt Otto zijn mond.
‘Ik moet naar huis, mijn mama is jarig, zij vindt mijn koekjes ook lekker’. Haar vurig groene ogen schitteren. Ineens ziet Otto de ogen van een oude geliefde voor zich. Even lijkt het of de wereld hem beet neemt. Waar komt Willemien nu ineens vandaan? Wát doet hem juist nu aan haar denken? Hetzelfde moment is Lara als een gazelle over de zandverstuiving verdwenen.

Vandaag is Lara vastbesloten om de iglo binnen te gaan, ze kan haar nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Ze duwt tegen de pui en die schuift makkelijk opzij. Het zacht ronkende geluid van een motortje stroomt haar tegemoet. Het maakt minder herrie dan de grote motor die buiten staat te reutelen als een oude hond. De planken van de binnenste iglo zijn ruw, er steken grote splinters uit. Binnen is het vrij donker en haar ogen moeten wennen aan die vreemde omgeving. Het ruikt er een beetje naar zweet. Met haar hand knijpt ze even haar neus dicht. Links van de deur ligt een matras op de grond. Meteen springt Bobby erop en zoekt een lekker plekje om te gaan liggen. Aan het hoofdeinde staat een tafeltje, volgestouwd met troep. Aan het voeteneind, op een laag kastje ziet Lara de koektrommel; helemaal leeg. Otto zit aan de andere kant bij een oud aquarium dat half  gevuld is met water. Waar zijn de vissen, is het eerste dat door Lara’s hoofd schiet. Boven het aquarium staat een constructie van vier stevige staalkabels. Aan de kabels hangt een plateau in het water en daarop ligt heel fijn zand in de vorm van ribbels. Nu ziet ze dat de kleine motor het plateau laat trillen. Een felle lamp zorgt voor schaduw waardoor het lijkt alsof de ribbels bergen zijn.
‘Begrijp jij wat hier gebeurt, Lara?’ Het lijkt alsof Otto haar verwachtte.
‘Het glaszand beweegt volgens nog onbekende natuurwetten. Ik bestudeer de verschillende patronen, iedere keer is het weer anders. Afhankelijk van de schommelfrequentie en uitslag verdubbelen of halveren ribbelpatronen zich spontaan. In andere gevallen ontstaan stabiele eilandjes, die noem ik parels.’ Nee, begrijpen doet Lara het niet, maar dat maakt haar niet uit. Het is alleen een beetje vreemd dat zo’n meneer zo naar dat zand zit te turen. De volgende keer zal ze haar schelpjes voor hem meebrengen, dan is het niet zo saai. Ze gaat naast Bobby op het bed zitten. Otto lijkt haar alweer vergeten te zijn, op zijn laptop tikt hij codes en cijfers in. Lara vindt dat hij lange vingers heeft en grote handen. Ze bekijkt haar eigen handen terwijl ze kunstjes doet met haar vingers. Op haar gemak bestudeert ze de iglo, het is een grappig huis. Hier zou ze wel elke dag willen zitten, met een boek in een hoekje. Ze lacht schaapachtig: welke hoek? Otto kijkt verstoord op, hij was haar alweer vergeten.
Lara haalt een oude zandloper uit haar broekzak en zet die op de grond. ‘Ik heb mijn overgrootvader bij me,’ zegt ze. Otto kijkt haar aan alsof ze gek geworden is.
‘In mijn familie werkt iedereen heel hard, kijk maar naar mijn mama,’ gniffelt ze. ‘Toen overgrootvader gecremeerd was, vroeg mijn opa aan zijn mama: Moeder, zal ik de urn op de schoorsteenmantel zetten? Nee, ben jij gek geworden? zei moeder. We stoppen hem in een zandloper, hij kan best nog wat werken!’
‘Grapje!’ roept ze meteen als Otto haar met verbaasde ogen aankijkt. Hij veegt een lok haar uit zijn gezicht.
‘Heb jij een vrouw, meneer Otto? En werkt die ook zoveel?’
‘Nee, ik heb geen vrouw,’ zegt hij peinzend en zoekt zijn pijp tussen de rotzooi op het tafeltje. Haar gedachtesprongen ontgaan hem meestal.
‘Mijn mama is accountmanager op een reclamebureau, dat is een soort directeur. Hier is je pijp. Mama zegt dat ze geen man hoeft, ze heeft mij. En jij, hoef jij ook geen vrouw, heb jij iemand?’
Otto neemt de pijp aan en sloft naar buiten. Nee, denkt hij, ik heb niemand. Vrouwen hebben, wat is dat? Hij zinkt neer op de boomstam. Lara loopt achter hem aan en ploft naast hem op de grond, Bobby springt op haar schoot.
‘Hé, wij zaten te praten, waarom loop je weg?’
‘Noem je dit praten, het lijkt wel een verhoor.’ Geïrriteerd steekt hij de brand in zijn pijp, het is niet de eerste keer dat hem verweten wordt dat hij wegloopt tijdens een gesprek, maar nooit eerder door een kind.
‘Maar ik zou wel een papa willen, dan zouden we samen door de bossen en de duinen rennen. Zou jij dat ook doen als je een kind had?’
Plotseling staat Otto op, hij vergeet zijn pijp leeg te kloppen. Net voordat hij weer in zijn glazen schulp kruipt, zegt hij: ‘ik moet aan het werk en jij, moet jij niet eens naar huis?’ Boos steekt Lara haar tong uit.

Otto zit achter zijn laptop, maar hij kan zich niet concentreren. Heb jij geen vrouw, vroeg ze. Al meer dan een week heeft Lara zich niet laten zien. Eerst viel ze hem iedere dag lastig en nu hij niet meer opschiet met zijn onderzoek, nu komt ze niet meer. Hij heeft zin in een zandkoekje. Waarom vertelde ze die mop van die zandloper? Wil ze hem laten zien dat je als mens een zandkorrel bent en altijd met de massa mee moet, ook al probeer je daaraan te ontsnappen? Ach, daar kan een kind toch niet mee bezig zijn? Fantasieën, dat krijg je als je geen vader en nauwelijks een moeder hebt. Heb jij geen vrouw? Waar bemoeit ze zich eigenlijk mee? Kwaad mept hij zijn laptop dicht, trapt zijn sloffen uit en loopt naar de zandduinen. Om goed te kunnen nadenken, moet hij met zijn voeten het zand voelen.
Ja, natuurlijk had hij een vrouw. Meer dan een. Maar om de een of andere reden moesten zij altijd weten waarom, waarom. Hij noemde dat graven. Graven in zijn geest in de hoop dat zij daar een antwoord vonden. Waarom, waarom. Konden ze niet gewoon als wetenschappers feiten aannemen? Als hij dan zei, pak een schop en ga in de tuin graven, waren ze beledigd. En dan werd het voor hem tijd om op te stappen, omdat hij wist dat blijven geen zin meer had. Dat deze relatie geen zin meer had. Zo had hij menigmaal de deur achter zich dichtgetrokken totdat hij besefte dat, net als in een zandloper, dezelfde situaties steeds terugkeren.
Als een zwerver zonder doel blijft hij doorlopen, hij ploegt door het zand en laat een zwaar spoor achter. Steeds komen de glinsterende groene ogen van Lara weer terug. Groen. Willemien. Met Willemien was het anders. Die hoefde niet te weten waarom. Zij bleef voortdurend initiatieven nemen om hem uit zijn tent te lokken. En toen ze daar genoeg van had was ze vertrokken. Zonder uitleg te geven. Nu hij degene was die achterbleef wist hij niet hoe hij daar mee om moest gaan. Blaren op zijn voeten had hij nooit erg gevonden. Maar op zijn ziel, die waren moeilijk door te prikken.
Voorovergebogen loopt Otto door zonder enig idee te hebben welke kant op. Zonder de vliegenzwammen en boleten te zien die aan de rand van het bos staan, als tekens van de naderende winter. Maar Otto voelt geen kou en vocht. Wel lijkt het of het steeds stiller wordt, alsmaar stiller, hij bevindt zich op een immense zandvlakte zonder een sliertje geluid. Lara, Willemien, waar zijn jullie. Hij prevelt hun namen, maar niemand die hem hoort. Hij zou hier dood kunnen neervallen en niemand die hem mist. Stemmen dringen zijn oren binnen, wie roept hem, waar komen die stemmen vandaan? Stemmen van Griekse Sirenen die hem lokken met hun gezang? Maar hij is geen schipper en hij bevindt zich niet op het water. Hij loopt door een woestijn. Hij moet slikken, maar zijn mond is te droog voor speeksel. Zijn tong snakt naar iets: bitter, zout, het maakt niet uit wat. Met een schok blijft hij staan, gevangen in een verblindende wervelstorm, die het zand als een steeds dichter wordende sluier geraffineerd om hem heen draait. Zo is het dus wanneer zand zich tegen je keert! Voor het eerst in zijn leven voelt zand als zijn vijand. Een vijand met onverwachte tactieken. Als een verschrompelde kameel laat hij zich op de grond vallen. Een bleek oranje gloed verdwijnt achter de horizon. De avond trekt donkere strepen over hem heen.

Lara zit onder de wortelbrug, ze heeft kippenvel van de ochtendkou. In de verte klinken de hoge trillers van de boomleeuwerik. Gedachteloos spelen haar handen met de schelpen in haar jaszak. Bobby graaft een konijnenholletje open.
‘Bobby, ben jij nog boos op meneer Otto?’ Haar vriendje stopt met graven en loopt naar Lara toe, maar nog voordat hij bij haar is, spitst hij zijn oren. Lara kijkt op en ineens heeft ze het niet koud meer.
‘Meneer Otto, meneer Otto! Zal ik je mijn duinen laten zien?’ Zo snel ze kan, rent ze naar hem toe. ‘Met opa liep ik hier stiekem, dat vond hij spannend. Hij hield mij altijd goed in de gaten, want hij was bang om te verdwalen. Ik verdwaal in de duinen en jij in mijn verhalen, zei hij altijd, grappig hè?’
Otto zou haar tegemoet willen rennen, maar in plaats daarvan wrijft hij een lok haar naar achteren.
‘Lara, ik ben verdwaald.’
Met open mond bekijkt ze hem van top tot teen.
‘Je hebt vannacht buiten geslapen!’ Ze rilt.
‘Breng me naar huis Lara, ik heb het koud.’
‘Het is niet ver, kom.’
Ze kruipen onder de wortelbrug door, lopen langs de dode stammetjes met de zwammen, langs de mijmerboom van Lara, door het zwarte laantje. Lara wil wel al haar geheime plekken aan hem laten zien, maar nu moet ze zo snel mogelijk doorlopen want Otto heeft het koud.
‘Ga jij maar in bed liggen, ik kan een kop thee voor je zetten. Heb je een kruik, meneer Otto?’ Zonder zijn antwoord af te wachten gooit ze een jas over hem heen. ‘Bobby!’ Het hondje springt op bed en vleit zich tegen Otto aan. Het is een beetje zoeken in dit rommelige huis en tegen de tijd dat ze de thee klaar heeft ligt Otto al te slapen.

‘Waarom ben je verdwaald?’ vraagt Lara als Otto langzaam zijn ogen opent.
‘Het begon ineens te stormen.’
‘Dat kan niet, het heeft niet gewaaid vannacht.’
‘Dan stormde het in mijn hoofd.’
Lara knikt, ze weet wat dat betekent. In haar hoofd zit ook vaak een storm.
‘Meneer Otto, waarom heb je eigenlijk een iglo gebouwd?’ Ze leunt tegen het aquarium.
‘Ik was ooit in Oezbekistan, daar wonen de nomaden in tenten van vilt, een Yurt, en die lijken wel een beetje op een iglo. Je zou kunnen zeggen dat ik een Nederlandse nomade ben. Ik heb mijn iglo van glas laten bouwen want ik wilde graag naar de lucht kijken als ik zat te werken. Maar het gekke is dat ik het idee had dat iedereen mij kon zien, dat vond ik niet prettig. Daarom heb ik binnenin nog een houten iglo gemaakt. Maar ik ben niet zo handig, dat zie je wel. Het voordeel van zo’n ronde vorm is dat alles van je af kan glijden.’ Dit laatste lijkt hij meer tegen zichzelf te zeggen dan tegen Lara.
‘Dus als je een probleem hebt, of als je je eenzaam voelt, ga je in de iglo zitten en dan glijdt het probleem van je af, bedoel je dat? Dan ben jij nooit eenzaam zeker.’
‘Vannacht was ik eenzaam, ik wilde roepen en toen begon de storm.’
‘Wie wilde je roepen?’
‘Eh, misschien riep ik wel Lara. Of Mientje. Ik weet het niet meer.’
‘Wie is Mientje?’ Lara’s stem trilt een beetje als ze dit vraagt, maar Otto merkt het niet. Ze trekt met haar wijsvinger een M door de ribbels in het zand.
‘O, een vrouw die ik ooit gekend heb.’
‘En ken je haar nu niet meer?’
‘Nee.’
‘Waarom riep je haar?’
Ze krijgt geen antwoord, Otto staart voor zich uit.
‘Ik was vorige week boos op je omdat je nooit antwoord geeft.’ Zegt Lara na een poosje. ‘Opa gaf altijd antwoord, soms duurde dat wel een tijdje, hoor. Mamma geeft eigenlijk ook nooit antwoord, zij zegt altijd: wat vind je er zelf van of hoe zou jij dat doen? Ze vindt dat ik eerst zelf na moet denken, en als ik er echt niet uit kom, gaat ze me pas helpen. Ik háát dat.’ Haar ogen krijgen een smaragdachtige glans, die Otto een rilling bezorgt.
‘Mamma had een paar dagen vrij genomen, omdat ik herfstvakantie had. Ze wilde naar zee, mamma houdt van strandwandelingen, Bobby ook. Ik wandel liever door deze duinen, gek hè. Bijna had ik tegen mamma verklapt dat ik jou ontmoet heb. Maar ik mag hier niet komen van haar, dus ik heb mijn mond gehouden. Ze had me ook niet geloofd, dat weet ik zeker. En als ik verteld had dat jij pijp rookt, had ze gezegd: jij valt altijd op mannen met een pijp. Dan haat ik haar echt. Maar ik hou ook van haar, heb jij dat ook? Dat je van iemand houdt en ook haat?’
‘Vannacht heb ik voor het eerst zand gehaat.’
Bobby springt van bed en begint te piepen.
‘O Bobby, we moeten naar huis, we gaan een nieuwe winterjas kopen, pas goed op jezelf, meneer Otto.’
‘Lara, ik…’
Zij hoort hem al niet meer.
Langzaam slentert Otto door het zand naar de rand van het bos. Daar gaat hij tegen een grote luchtwortel van een krom gewaaide boom zitten. De kou van de vorige nacht zit nog in zijn botten, of misschien wel in zijn hoofd. Heel zijn hele leven dacht hij niemand nodig te hebben, waarom moet hij juist nu zo vaak aan Willemien denken? Lang had zij het niet bij hem uitgehouden, maar zij was wel een van de weinige vrouwen die niet zat te graven. Je steekt je kop weer in het zand, Otto, was haar standaardgrapje, waar ze zelf altijd om schaterde, maar hij vond het flauw.
Eén keer had hij met haar in dit gebied gewandeld, toen het nog voor publiek open was. Het had haar betoverd. Ze wilde hier in de buurt gaan wonen. Misschien heeft ze dat ook wel gedaan. Hij zou haar naam eens kunnen zoeken op Google. Zoeken? Waarom? Om te zeggen dat ze zich vergist heeft? Dat hij helemaal zijn kop niet in het zand steekt? Ach, hoe lang is het al niet geleden. Zeker tien jaar. Ze heeft vast een andere man. En misschien wel kinderen.
Hij schrikt van geritsel achter zich, snel kijkt hij om. ‘Kom maar achter die boom vandaan, Lara, ik zie je wel.’ Er gebeurt niets. ‘Bobby, Bobby, kom.’ Probeert hij. Maar het blijft stil, er beweegt zelfs geen blad aan de boom. Plotseling rent er een veldmuisje langs zijn voeten weg.
Hij kwam hier voor de stilte, maar waarom voelt de stilte vandaag zo anders? Zo eenzaam. Als hij stevig doorwerkt, is hij over een paar dagen klaar zijn met zijn onderzoek, de conclusies kan hij thuis uitwerken. Daar zal hij zijn raam op een kier zetten, zodat de geluiden van de stad hem omringen. Hij kan aan een bar gaan zitten en opgaan in het gekakel van de kroeg.
Weer lijkt hij iets te horen. Maar er is niemand te zien. Pas gister had hij gehoord dat het bos zonder geluid kan zijn. Nooit eerder was hem die diepe stilte opgevallen. Als stilte regen was, zou hij gister kletsnat geworden zijn.
Een lieveheersbeestje daalt op zijn voet neer, hij durft geen beweging meer te maken. Het kriebelt als het beestje tussen zijn haren door naar zijn grote teen loopt. De schildjes gaan omhoog en Otto volgt het steeds kleiner wordende stipje tegen de grijze lucht.
In de stad zal hij de rammelende trams en toeterende auto’s weer horen. De sterren die hier ’s nachts zo helder zijn, zullen verbleken tot vage vlekjes. Hij zal weer moeite moeten doen om op zijn fiets de duiven te ontwijken. En er zullen veel mensen voor zijn voeten lopen. Maar dat is allemaal niet erg, hij is lang genoeg alleen geweest. Energiek staat hij op en volgt zijn voetspoor terug naar de iglo.

Het kost Lara moeite om de deur open te schuiven. In haar ene hand heeft ze een grote thermoskan met warme chocolademelk, in de andere een zak met koekjes.
‘Pauze, meneer Otto, je lijkt mijn mamma wel, die moest ook weer zo nodig op zondag gaan werken.’ Ze schenkt de warme chocolademelk in de twee bekers die ze uit haar jaszak heeft gehaald.
‘Je hebt gister een figuur in het zand getekend.’
‘Het was een letter.’
‘Ook best, maar snap je niet dat je hiermee mijn onderzoek in de war brengt?’ zegt hij knorrig.
Lara verkruimelt een koekje. Ze had verwacht dat Otto het gezellig vond dat ze langs kwam, maar het lijkt alsof ze zich vergist heeft. Met twee handen omklemt ze strak de beker, terwijl ze kleine slokjes drinkt van de chocolademelk. Otto laat de zijne koud worden. Bobby duwt zijn natte snoet in Lara’s gezicht, alsof hij haar troosten wil. Lara snapt het niet meer. Als Otto boos is moet hij dat zeggen. Maar hij zegt helemaal niets. Hij vraagt haar ook nooit iets en ze verwacht allang niet meer dat hij nog ooit verhalen zal vertellen. Waarschijnlijk weet hij niet eens wat je met woorden kunt doen.
‘Meneer Otto, wil je mij vertellen over de mensen die in een Yurt wonen.’
Otto voert een innerlijke strijd. Het is prettig om haar stem weer te horen, maar hij is ook boos omdat ze met zijn zand heeft gerommeld. Dit gaat hem een paar dagen extra kosten. Net nu hij klaar is om zich weer onder de mensen te begeven.
Hij doet alsof hij Lara’s vraag niet heeft gehoord, misschien gaat ze dan vanzelf weg. Bovendien houdt hij niet van warme chocolademelk, er komen velletjes op. Hij buigt zich weer naar voren en ziet alleen nog maar zacht trillend zand.
Lara ziet Otto’s hoofd steeds verder het aquarium inbuigen. Het verpulverde koekje ligt aan haar voeten. Stilletjes likt Bobby de kruimels op.
‘Je steekt je kop in het zand,’ zegt Lara teleurgesteld.
Als door een wesp gestoken veert Otto recht overeind. Hij stoot zijn knie aan het aquarium en de beker met de chocolademelk valt van het tafeltje op de grond. Het velletje trilt nog even na, voordat het zich met een zucht tussen de bruine plas lijkt neer te vleien.
‘Wát zei je?’ vraagt hij verbijsterd.
Lara begrijpt niet waarom Otto zo reageert, maar ze snapt wel dat ze weer zijn aandacht heeft. Ineens vind ze hem een beetje zielig.
‘Waarom heb je eigenlijk een iglo gebouwd? Waarom heb je geen tunnel gegraven? Eigenlijk ben je net een mol, je wil niemand zien, ben je soms blind, of zo?’ Met ieder woord klinkt haar stem valser. Ze heeft haar handen in de zakken van haar jas gestoken en knijpt zo hard in de scherpe rand van de schelpen dat haar handen zeer doen.
‘Lara, hou op met die eeuwige vragen, kun je me niet gewoon met rust laten? Ik hou me met zand bezig, niet met molshopen. En ik steek    mijn    kop    níet    in het zand. Nu niet, en nooit niet. Hoor je? Je bent veel te jong om te graven, zal ik een schepje voor je kopen, dan kun je hier buiten aan de gang! Een groot terrein ligt op je te wachten.’ Hij schudt zijn haren met een ruk naar achteren.
Lara is verbluft door deze uitval, Bobby trekt grommend zijn tanden bloot. Iedere keer is deze man weer totaal anders. Ze begrijpt niets van hem. Waarom wil hij niet gewoon antwoord geven op haar vragen? Gister had hij haar nodig en nu doet hij weer zo raar. Ineens kan ze er niet meer tegen. Dat stómme zand, dat het belangrijkste is in zijn leven. Ze springt op en grist een asbak van het tafeltje. Ze geeft zo’n harde klap tegen het glas, dat er een grote ster in springt. Ze schopt tegen de ijzeren poot van het aquarium en het glas knapt kapot. In een flits weerspiegelt haar woede zich in de ogen van Otto, die naar haar uithaalt en een klap in haar gezicht geeft. Een ogenblik kijken ze elkaar verbouwereerd aan, allebei weten ze dat ze te ver zijn gegaan. Lara vecht tegen haar tranen. De pijn die ze voelt is niet van de klap, maar van de teleurstelling. Met haar vingers wrijft ze zachtjes over de plek waar Otto’s hand haar raakte. Otto wil zijn pijp pakken en naar buiten gaan, hier weet hij geen raad mee. Maar ineens ligt daar zijn arm om de schouder van het kind.
‘Och Lara, waarom kom je dan ook in mijn wereld? Begrijp je dan niet dat daar geen kinderen in passen? Als dat wel zo was, dan had ik toch zelf kinderen gehad? Ik heb rust nodig om onderzoek te doen. En nu maak jij mijn onderzoek kapot, en mijn rust… Dat kan toch niet goed zijn? Ppr..’ stotterend realiseert hij zich dat hij onzin uitkraamt en abrupt houdt hij zijn mond.
‘Maar’, probeert Lara, ‘ik wou alleen maar de storm uit je hoofd halen. Daar hoeven toch geen andere kinderen bij te zijn?’
Langzaam begint het water uit het aquarium op de grond te druppelen.

Sinds de aanvaring die Otto met Lara had, wil hij niet te ver bij de iglo vandaan, misschien komt ze vandaag wel. Hij zit op de boomstam en probeert zich Lara’s gezicht voor te stellen als ze het nieuwe aquarium met het zand zal zien. Hoe in haar ogen groene sterretjes zullen gaan schitteren. Natuurlijk was het onzin om al deze spullen nog te bestellen nu hij klaar is met zijn onderzoek. Maar als hij het kapotte aquarium zo zou achterlaten, kon hij net zo goed zijn hart in scherfjes erbij gooien.
Het kind heeft iets bij hem losgepeuterd en hij kan niet ontdekken wat. In zijn gedachte verschijnt een beeld van zijn moeder die een oude trui uithaalt om de wol opnieuw te gebruiken. Zij rolt de draad tot een bol en regel voor regel ontrafelt ze zo de trui, tot er niets meer over is. Dat doet Lara nu bij hem. Met iedere vraag die ze hem stelt, trekt ze aan de draad. Zonder het te weten peutert zij stukjes uit zijn verleden bloot die hij blijvend had willen bedekken. Zoals zijn besluit dat kinderen niet in zijn leven passen. Of door gewoon weg te lopen als het te moeilijk wordt, als hij geen woorden meer heeft. Waar is Lara naar op zoek? Wat wil ze van hem?
Dit desolate gebied begint nukkige trucjes met hem uit te halen. Wellicht is het kluizenaarsbestaan toch niet voor hem weggelegd. Maar binnenkort is het voorbij, dan is hij thuis en kan hij zichzelf onderdompelen in de afleiding die de grote stad te bieden heeft. Hij moet zijn onderzoek afronden. Tijd om aan Lara te denken, heeft hij dan niet meer. Hij zal haar snel vergeten zijn. Of…? Of is Lara een meisje dat je nooit meer vergeet?

Het duurt een paar dagen voordat Lara het natuurgebied weer in durft. Ze wil tegen Otto zeggen dat het haar spijt. Misschien heeft Otto ook spijt. Ze neemt de kortste weg en ineens ziet ze sporen van grote autobanden in het zand.
‘Bobby, wat is dat?’ roept ze verschrikt. Bobby blaft en raapt kwispelend een stok op die hij naar Lara brengt.
‘Nee stommerd, zie je dat niet? Kom…’
Buiten adem komt ze bij iglo aan. Zonder te kloppen schuift ze de pui opzij en springt naar binnen. Ze maakt nóg een sprongetje als ze de brede glimlach op Otto’s gezicht ziet. Bobby legt de stok voor haar neer, maar Lara heeft alleen nog oog voor Otto.
‘Ik dacht…’ zegt ze hijgend.
‘Hoeft niet,’ zegt Otto en geeft haar een kop thee.
Er staat een nieuw aquarium en op het plateau ligt een glinsterend zandstrandje.
‘O, meneer Otto, wat mooi. Het sp..’
‘Hoeft niet,’ zegt Otto nog een keer. ‘Toen jij laatst met jouw moeder naar zee bent geweest, heb jij toen geen schelpen meegebracht?
‘Ja natuurlijk, hele mooie.’ Triomfantelijk haalt ze handenvol schelpen uit haar jaszak, sommige zijn kapot.
‘Zo, ik wist niet dat jij gedachten kon lezen,’ zegt Otto.

Lara grinnikt. Ze wil iets zeggen, maar bedenkt zich. Met de mooiste schelpjes maakt ze in het zand een figuur. Voordat Otto de elektromotor aan zet, pakt Lara Bobby op en drukt zijn voorpootje in het zand. Gebiologeerd kijken ze wat er gebeurt. Otto raakt onder de indruk als hij merkt hoe geconcentreerd Lara is. Hij stelt zich voor hoe het zou zijn als Lara zijn studente was, of zijn assistente. Maar wat een onzin. Ze is nog maar een kind. Bovendien, en het voelt als verraad, is zijn onderzoek hier afgelopen. Hij zal zijn spullen pakken, ze zullen komen om zijn iglo af te breken en hij zal hier nooit meer terugkeren. Zijn hart krimpt, snel pakt hij zijn pijp en zijn tabak en loopt naar buiten. Lara merkt niet eens dat hij weg is, zo wordt zij in beslag genomen door het trillende zand dat tegen de schelpen schuurt. Bobby loopt achter de vriend van Lara aan.

Het is ijzig als Lara op een ochtend weer naar de iglo stampt. Bobby loopt zigzaggend voor haar voeten. Als ze vlakbij de iglo is, voelt ze onmiddellijk dat er iets niet klopt. Het ziet er niet anders uit dan normaal, maar de lucht voelt anders. Het maakt haar bang, ze klemt haar middelvingers om haar wijsvingers om haar gevoel van onrust te bezweren. Voorzichtig sluipt ze dichterbij. Het is zo stil dat ze haar vrieskoude ademhaling kan horen. Bij de deur ziet ze het meteen. Er hangt een briefje, maar ze wil niet weten wat er op staat. Ze schuift de deur open. De iglo is opgeruimd, alleen de meubels en het aquarium staan er nog. In het gladgestreken zand op het plateau leest ze: Ik ben geen verhalenverteller. Haar schelpjes vormen het woord Otto.
Lara gaat op het bed zitten en trekt Bobby op schoot. Een tijd lang zit ze voor zich uit te staren, zonder iets te zien. Als ze om zich heen kijkt, doet de lege iglo bijna zeer aan haar ogen. Kon ze nog maar één keer met opa praten. Ze zou hem alles vertellen over Otto. Hij zou het vast een mooi verhaal vinden. Maar vooral: opa zou zeker weten wat ze nu moest doen.
‘Denk je Bobby, dat mamma mij zal geloven als ik haar over meneer Otto vertel?’
Bobby kruipt dicht tegen haar aan en likt zachtjes haar wang.

 

AT THE STILL POINT OF THE TURNING WORLD van Mario Merz inspireerde mij tot dit verhaal. En uit een wetenschappelijk artikel in de Volkskrant kwam Otto te voorschijn. Het grapje over de hardwerkende mens in de zandloper is wat bewoners uit  Nedersaksen in Duitsland graag over zichzelf vertellen.

 

Facebooktwitterpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *